Lezing Romantiek in het noorden in de Kunstkerk
Door Martijn Pieters
In de 18de eeuw vindt in Europa niet alleen de herwaardering van de Antieken plaats, maar ook de herontdekking van het landschap en de kracht van natuur. Speelde het in de schilderkunst tot dan toe, Noord-Nederland uitgezonderd, vooral een rol in de achtergrond van een voorstelling, nu werd het een zelfstandig thema. Daarbij moest het landschap vooral heftige emotionele belevingen bij de beschouwer oproepen; hoge bergen, diepe dalen, het liefst met middeleeuwse burchtruïnes of klassieke tempels moesten de beschouwer meevoeren naar vervlogen tijden en desolate gebieden. De krachten van de natuur, in de vorm van stormen en onweersbuien toonden de mens haar nietigheid. Van grote invloed waren de introductie van de termen ‘The Sublime’ en ‘The Picturesque’ in de Engelse literatuur van de 18de eeuw. Zij omschrijven de verwachtingen, die men aan de beleving van het landschap had: groots en meeslepend moest het zijn, schilderachtig in haar totaalbeeld. Een schilder als Caspar David Friedrich introduceerde als alternatief voor het gouden licht van Italië de donkere wolken en naaldbossen van de Elbevallei. William Turner vond soortgelijke thema’s in de Highlands van Schotland en Snowdonia van Wales. Talloze andere schilders ontdekten het noordelijke landschap als een bron van emotie en beleving. In de lezing wordt ingegaan op deze beleving en de uitbeelding daarvan, die ook in de Engelse tuin vorm gegeven werd.
