Maartje Bos en de Rijper zweetvoeten
Mislukte tocht langs werkplekken brengt weesmeisje terug in weeshuis
In het houten huis aan de Tuingracht 13 in de Rijp zit nu een oudheidkundig Museum. Met de toepasselijke naam Museum in ’t Houten Huis. Maar vanaf het midden van de achttiende eeuw tot in 1965 was dit het ‘Gemeene wees- en armenhuis’. In een artikel in de Rijper Courant in 1925, maken we kennis met Maartje Bos. Die door haar ‘Rijper zweetvoeten’ , het te snel verslijten van haar kleding én haar voorliefde voor lezen, niet in staat bleek een baan te houden.
Aan de hand van verschillende brieven lees je hoe de verschillende weesmeesters en werkgevers hun best deden om dit weesmeisje een goede toekomst te geven.
Geschikt om in dienst te gaan
De eerste brief is van 7 november 1886, en is geschreven door M.W. Scheltema. Scheltema was bestuurder van de “Maatschappij tot opvoeding van Weezen in het Huisgezin”. Hij schrijft de brief aan J. Visser, waarschijnlijk de weesvader van het Gemeene Wees- en Armenhuis van De Rijp. Scheltema geeft aan dat een meisje in het Wees- en Armenhuis wellicht geschikt zou zijn om in dienst te gaan.
Dit meisje, Maartje, kan volgens hem eerst begeleid worden door de dochter van Scheltema voordat zij naar Scheveningen zal vertrekken om in dienst te gaan. Daarvoor moest Maartje huishoudelijke taken leren als tafeldienen en kleding strijken. Maar ook nieuwe kleding was nodig. Daar werd een hele lijst voor opgesteld. En toch bleek al die nieuwe kleding later niet genoeg te zijn…
(Tekst gaat verder onder de foto)

Weesmeisje verslijt haar kleding snel
De weesmoeder maakte de hemden en broeken al met opzet te groot. Maar Maartje groeide er zo weer uit. En ze zou volgens haar werkgever, mevrouw Hoogenraad, haar kleding snel verslijten. “Bij mijn laatste bezoek aan mevrouw Hoogenraad klaagde deze dame zeer over de slordigheid van Maartje,” zegt Scheltema in zijn brief, “maar ook over het verwaarlozen van haar kleding en het spreken van onwaarheid”.
Mevrouw Hoogenraad had gehoopt dat Maartje financieel vooruit zou komen terwijl ze bij haar in dienst was. Maar van haar salaris, 11,25 gulden (€5,11) per kwartaal, blijft niet veel over. Een groot deel gaat op aan nieuwe kleding, maar vooral aan schoenen. Maartje blijkt elke vier weken nieuwe schoenen nodig te hebben. Door vergroeide voeten loopt Maartje niet op de zolen, maar op het leer van de schoenen. Zelfs de schoenmaker kan haar oude paren niet meer redden.
Terug naar De Rijp
Als Maartje wordt aangesproken op de hoeveelheid kleding ze nodig heeft, is haar antwoord: “Och, als U me niet hebben wilt, ga ik terug naar De Rijp, daar moeten ze me helpen!”. Ze schrijft op het briefpapier van haar werkgeefster een briefje aan de regenten: “Maar ik onderhoud het toch zo goed mogelijk als ik kan doen. Als het uit de was komt, kijk ik ook goed na of er iets stuk is. Als er iets stuk is, leg ik het opzij en de rest ruim ik op in mijn koffer. Daarna naai ik wat er stuk is. Maar ik kan lang niet alles naaien. Dus wat ik niet red, leg ik weg. Ik durf mevrouw (Hoogenraad) niet om hulp te vragen, want zij heeft ook haar handen vol”.
Een nieuwe plek voor Maartje
Op 21 juli schrijft mevrouw Hoogenraad opnieuw een brief aan meneer Visser. Om te laten weten dat zij een nieuwe plek heeft gevonden voor Maartje om in dienst te gaan. Ze gaat werken bij meneer K.J. Adams, een gepensioneerd officier van administratie bij de Marine. In een mededeling aan de Heeren Regenten van het weeshuis in De Rijp gaf Hoogenraad aan dat op deze nieuwe werkplek “vooral netheid wordt gevorderd”. Maartje heeft zelf ook nog een briefje geschreven. Ze geeft aan dat ze bij haar nieuwe werkgever niet op lage schoenen mag werken en dus nieuwe laarzen nodig heeft. Ze verontschuldigt zich om zo’n gunst te vragen. Want ze weet dat er nog veel meer kinderen in het weeshuis zijn. Als zij het zelf kon betalen, had ze dit niet gevraagd.
Of Maartje haar werk goed deed? Mevrouw Hoogenraad schrijft hierover het volgende: “Als zij haar goede dagen heeft gaat het wel, maar ik verzeker U, dat zij weken heeft dat zij niets wil uitvoeren. En als ik dan denk dat zij klaar is met haar werkzaamheden, heeft ze niks gedaan en zit ze leeg of te lezen”.
Lezen als vreemde hartstocht
In augustus gaat Maartje, op haar nieuwe laarzen, werken bij de familie Adams in Den Haag. Helaas valt ze niet erg in de smaak bij mevrouw Adams. Die is teleurgesteld in de handigheid van Maartje, die ook nog een ‘vreemde hartstocht’ zou hebben. Wat deze passie was? Lezen! Volgens meneer Scheltema een “vreemd verschijnsel voor iemand uit haar stand”. Daarnaast vindt mevrouw Adams ook dat ze wel wat meer aandacht aan haar uiterlijke verzorging mag besteden.
Hoe erg Maartje ook haar best deed, het mocht niet baten. Op 11 oktober ontvangt meneer Scheltema een brief van de familie Adams, dat haar dienst wordt opgezegd. Ze zou, naast de eerder aangegeven problemen en haar trage werk, nog een andere kwaal hebben… Ze zou namelijk last hebben van “Rijper Zweetvoeten”. Maar dat was nog niet het ergste. Toen zij Maartje op een avond de kans gaven een nieuwe werkplek te vinden, ging zij in plaats daarvan samen met een vriendin en “in gezelschap van soldaten” een avondje uit.
Geen grote stad voor Maartje
Toch leek het nog even goed te komen met Maartje. Er kwam namelijk een brief van de zus van Maartje, waarin staat dat ze in dienst gaat bij een familie in Purmerend. Of de familie Adams blij was voor Maartje? “Hoewel ik niet veel sympathie voor haar voel, zij is toch een wees en ben ik in haar belang blij dat zij naar een kleine plaats gaat,” schreef meneer Adams, “steden als Den Haag deugen voor haar niet.”
Maar ook nu te vroeg gejuicht. Opnieuw krijgen de Heeren Regenten een brief van Maartjes nieuwe werkgever. Met de mededeling dat Maartje het gezin weer verlaat. Ze zou te jong zijn en de werkzaamheden niet aankunnen. Zelfs niet met een tweede meisje als hulp. Met nog geen nieuwe werkplek in het vooruitzicht, wordt Maartje weer opgevangen in het Weeshuis.
Museum In ‘t Houten Huis
