Uitgediend en weggeruimd (deel 2)
Archeoblog door Nancy de Jong
31 juli 2026
Wie dacht dat “R”, de anonieme schrijver van “Uitgediend en weggeruimd”, in 1867 zijn hart had gelucht in slechts één ingezonden stuk, wordt verrast. Het protest tegen het verdwijnen van de Alkmaarse vest besloeg twee afleveringen. In dit vervolg blijken de zorgen over sloop, stadsontwikkeling, het belang van groen en vermeende vooruitgang opvallend tijdloos.
“Het bevallig aanzien eener stad”
“…De Hooge wal was reeds een begeerde wandelplaats – een rij boomen onderschepte de stralen der middagzon en hield het pad in de schaduw. Ongeveer een eeuw lang mocht men er wandelen, zonder dat de stedelingen veel verandering in de omgeving zagen, maar toen gebeurde, wat vooraf door zoo vele onmogelijk werd geacht – rijk geladen zeeschepen uit alle oorden der wereld stevenden langs de groene zijde der hooge vest. Dit kostte haar, wegens den aanleg van het jaagpad, en van de Texelschepoort en later door een verandering bij de Friessche poort eenige kubiek ellen gronds. Thans zal van wat er overbleef het grootste deel te worden weggenomen. Men zal het bezigen, om er eenige vuile watertjes mee onder den grond te stoppen, en wat dit aanbelangt wint het voorkomen der stad er terstond bij; een ruime straat is verkieslijker dan een kwalijk riekende sloot. Het bevallig aanzien eener stad moet, zoowel als haar gelegenheid voor handel, een fortuin- een voordeel worden geacht en verdient naar waarde te worden geschat. Waar frischheid, netheid en bevalligheid eigenschappen eener woonplaats zijn, daar komen de bezoekers en sticht de rijkdom zijn zetel. Wij achten het mogelijk, dat de omstreken van het welgelegen Alkmaar een lustoord worden voor hen, die in een schilderachtige natuur ontspanning zoeken…”
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto)

In hetzelfde ingezonden stuk beklaagde hij zich ook over de afbraak van de Kennemerpoort:
“…Ons dunkt, dat zij, die de oude bekende met leedgevoel zagen wegbreken, later zullen toestemmen dat het toch geen welstand gaf, nu de blik onbelemmerd en vrij naar alle zijden de stad kon indringen – dat daar ter plaatse een toegang bleef bestaand die kronkelend en duister was. Neen, dat sombere forsche metselwerk, dat, geholpen door steenen leeuwenkoppen, grimmig uitzag naar den vijand, die sinds lang dood was. Dat bouwgewrocht, wiens zware deuren niet meer bij het luiden der avondklok in klink en slot vielen en den wandelaar of reiziger buiten sloten. Wiens toegang niet meer werd bewaakt om ontduiking van stedelijke accijnsen te beletten; – die poort, die voor alle mogelijke zaken had uitgediend en den tijdgeest in den weg stond, dat gebouw moest worden weggeruimd. Want de tijd eischt een vrijen, ruimen, rechten toegang die vriendelijk uitnoodigt tot binnentreden. En vertoont zich ten gevolge van het wegruimen der poort, gedurende de eerste weken een voor ’t oog minder welgevallig tafereel, onze architekt zal dat wel weten te verhelpen en door beplanting een aanzien geven in overeenstemming met de omgeving.”
Of de schrijver gelijk heeft gekregen, laten we graag over aan het oordeel van de lezer.
Deze blog is geschreven door Nancy de Jong, archeoloog team Erfgoed, gemeente Alkmaar.
