Frans van Marle maakte opgravingen mogelijk voor pionier Cordfunke
“Ik had een brief van B&W waarmee ik alle werken stil kon leggen”
Vorig jaar september overleed Erik Heinz Pieter Cordfunke. Een pionier in de Alkmaarse stadsarcheologie. Dat Alkmaar in 1991 haar eerste professionele stadsarcheoloog kreeg, is mede aan Cordfunke te danken. Die verrichtte in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw belangrijk voorwerk. En er was één man die daar altijd bij was. Frans van Marle, destijds verantwoordelijk voor de kunstwerken en waterlopen in de gemeente. Door een toevallige ontmoeting kwam het team weer met hem in contact. In het Archeologisch Centrum kijkt de inmiddels 85-jarige Frans terug op een bijzondere samenwerking die uitmondde in een hechte vriendschap.
Het was tijdens de opgraving in Oudorp, vorig jaar september, dat onze archeoloog Guus van den Berg in gesprek raakte met Frans van Marle. Het lijkt wel een speling van het lot dat precies begin van die maand Erik Cordfunke op 90-jarige leeftijd was overleden.
Prof. dr. ing. Erik Heinz Pieter Cordfunke werkte als toponderzoeker in de anorganische chemie bij RCN in Petten. En als hoogleraar thermochemie aan de Universiteit van Amsterdam. Maar daarnaast was hij op vrijwillige basis actief in de archeologie. Met zijn werk wist hij inwoners en bestuur van de gemeente Alkmaar te overtuigen van het nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek. Tot 1988 deed hij talloze opgravingen. En vanaf begin jaren zeventig was Frans van Marle daarbij.
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)


Soms met foto’s die weer nieuwe beelden geven van de opgravingen in de periode voordat de gemeente Alkmaar een eigen archeologische dienst had.

Ik zorgde voor mensen en machines
Frans: “In de tijd dat ik in contact kwam met Cordfunke was alles nog wat minder georganiseerd. Hij wilde graag opgravingen doen en ik zorgde voor mensen en machines en was er dan ook de hele dag bij. Dat kon gewoon, want ik was zo vrij als een vogeltje in mijn werk. Ik kreeg een budget per jaar voor het onderhoud van de bruggen en waterlopen. ‘Ga jij je gang maar,’ zei mijn afdelingshoofd, ‘Als ik maar geen klachten krijg.’ De lijntjes waren toen veel korter. Prachtig vond ik het. Ik had de mooiste baan van de gemeente. Dat zei iedereen en dat vond ik zelf ook. Mede omdat ik zo vrij was.”
Het duurde wel even voordat Frans zijn stekkie gevonden had: “Ik ben een aannemerszoon en ging automatisch bij mijn vader in het bedrijf in Doorn, in de provincie Utrecht. Maar we hadden altijd onenigheid. Ik zou het bedrijf overnemen, maar je doet het natuurlijk nooit goed in de ogen van je vader. Er was genoeg te verdienen in het bedrijf, maar al die spanning, al die hoofdpijn, ik had het er niet voor over. Maar ja, alle collega-aannemers kennen je natuurlijk. Dus toen ik bij mijn vader wegging uit het bedrijf, kreeg ik van alle kanten uitnodigingen om uitvoerder te worden. Dat heb ik nog vier jaar gedaan bij zo’n groot bedrijf. Maar het was gewoon niks voor mij. Ook omdat je dan door heel Nederland werkt, ik was voortdurend onderweg.”
Iedere dag om half 8 op kantoor
“Mijn broer werkte als hoofd ingenieur directeur bij Rijkswaterstaat. Die was dus ambtenaar, en dat leek mijn vader ook wel wat voor mij. En toen mijn vrouw, die uit Noord-Holland komt, aangaf dat ze wel terug wou, ben ik in deze regio gaan zoeken. Ik kwam uit bij de afdeling Onderhoud van de gemeente Alkmaar. Dat was in 1974. Eerst als beheerder Wegen en later als beheerder Kunstwerken en waterlopen.”
“Dat was een prachtige tijd. Ik was elke dag om half 8 op kantoor. Iedereen wist dat ik daar dan te vinden was. Je had toen nog geen mobiele telefoon. Die hadden ze trouwens veel eerder moeten uitvinden! Als ik denk aan al die keren dat ik door heel Nederland aan het werk was… Maar ik was bij de gemeente wel één van de eersten met een pieper. Al had ik daar ook wel een beetje mezelf mee. Want dan was je lekker aan het fietsen in het weekend en dan was er ineens een oproep. ‘De Huiswaarderbrug doet het niet meer…’ Dus ik meteen mensen inschakelen en zelf alvast erheen om te zorgen dat ie weer even met de hand bediend kon worden.”
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

Berg, Frans van Marle, Kayleigh Kremer en Niels Tuinman.
En zo af en toe een opgraving, dus?
“Ja, inderdaad. Ik had een brief van burgemeester en wethouders met toestemming om werkzaamheden stil te laten leggen. Dat deed ik als ik dacht dat er iets interessants zou zijn voor een opgraving. Cordfunke werkte toen bij ECN in Petten en kon net als ik zijn eigen tijd indelen.
Ik kwam door mijn functie natuurlijk bij werkzaamheden door de hele stad. Ik zag het altijd als ergens de grond open ging of als er gebouwd werd. Dan nam ik contact op met Cordfunke en als hij er wat in zag, spraken we een dag af om aan de slag te gaan. Dan zei ik tegen de werklui dat ze een bepaalde hoek even met rust moesten laten totdat de archeoloog was geweest. Jammer genoeg kan ik die brief van B&W, waarmee ik dus alles stil kon leggen, niet meer vinden…”
Maar hoe kon je inschatten of het archeologisch gezien interessant was?
“Ja, telepathie hè? Nee hoor, grapje. Alles rondom het Waagplein en de Grote Kerk vond Cordfunke interessant. Dat wist ik. Al zijn we ook wel eens in Oudorp geweest. Maar we wisten bijvoorbeeld dat in de buurt van de Dijk ooit kasteel de Torenburgh had gestaan. We wisten dat de Waag ooit groter was en ook dat er links en rechts van de Langestraat vroeger boerderijen stonden. En om de Grote Kerk had je een heel stuk dat vroeger zandrug was en waar al vroeg gewoond werd. Dat waren allemaal plekken waar wel wat in de grond moest zitten. Beerputten hadden overigens niet zijn speciale interesse.
Het ging er eigenlijk vooral om dat ik wist wat er waar gebeurde en dat ik hem kon inseinen. Als hij dan kwam, zorgde ik voor hulp. Meestal iemand van de plantsoenendienst en vaak een paar medewerkers van een aannemersbedrijf dat ik kende. Als de samenwerking dan beviel, vroeg Cordfuncke bepaalde mensen later weer terug.”
Wat maakte de meeste indruk op je?
“Nou, ik had zelf eigenlijk niet zoveel kijk op die dingen. Had voordat ik bij de gemeente kwam werken zelfs nog nooit van archeologie gehoord… Maar ik weet nog wel heel goed die opgraving van een houten put aan het Canadaplein in januari 1976. Berekoud was het toen!
In 1977 hebben we opgegraven aan het Waagplein en in de Brillesteeg en in 1978 bij de Kapelkerk. In dat jaar is ook gegraven in de Oudorperpolder. Toen was Cordfunke ziek. Er zijn toen wel een paar proefsleuven gemaakt door de gracht van de Nieuwburg. Later kwam Cordfunke er weer bij, samen met een archeoloog uit Amsterdam.”
Frans laat zijn werkagenda’s zien van die jaren, waarin elke opgraving netjes is vermeld.
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)


Het graf van Floris I
Frans: “Maar wat me het meest is bijgebleven, was de opgraving van het graf van Floris I in 1979 bij de abdij in Egmond. Met zijn tweeën hebben we toen dat graf opgegraven. Dat was een hele belevenis! We aten ’s middags hutspot met de broeders aan tafel.
Ik maakte altijd de foto’s en die leverde ik dan later bij Cordfunke aan. Zo ontstond een hechte vriendschap. En ieder jaar organiseerde ik een uitstapje. Dan gingen we naar Heerlen, Rijnsburg, wijk bij Duurstede, of waar dan ook. Altijd iets dat met archeologie te maken had. Ik reed en zorgde voor het diner.”
Altijd bevriend gebleven
De hechte samenwerking duurde tot 1988. Toen stopte Cordfunke met zijn archeologische onderzoeken. In 1991 stelde de gemeente Alkmaar de eerste stadsarcheoloog aan in de persoon van Peter Bitter.
Frans: “Ik wist toen al dat ik in 1995 op 55-jarige leeftijd kon stoppen met werken. En dat heb ik ook gedaan. Peter vroeg nog of ik niet wilde blijven. Maar mijn binding met archeologie had voor mij vooral te maken met Cordfunke met wie ik altijd bevriend ben gebleven. Dat was gewoon een ontzettend leuke tijd waar ik nog steeds met veel plezier op terugkijk.”
In Memoriam Erik Cordfunke (1934-2025)
Meer bekend over geschiedenis Oudorp door opgraving Nijenburgh
