Het muntje dat kwijt was
Vondst op vrijdag
9 oktober 2026
Deze week dook Guus in een wel heel bijzondere vondst. Een klein gouden muntje uit de zevende eeuw! Het werd in 1853 gevonden bij de bouw van de eerste gasfabriek in Alkmaar. En daarna was het kwijt. Totdat Guus ontdekte dat het helemaal nooit kwijt is geweest…
Tijdens de bouw van de allereerste gasfabriek, ten noorden van de Paardenmarkt, werd in 1853 een muntje gevonden. Op de ene zijde staat een wat grof uitgevallen randschrift rond een kruisteken. Op de andere zijde zien we een ook wat grof uitgevallen profiel van een menselijk hoofd. Vermoedelijk het hoofd van een keizer.
De Alkmaarder Cornelis Johan Hellingwerff was bij het grondwerk aanwezig. Hij was ontvanger van de accijnzen en tegelijkertijd een liefhebber van geschiedenis. Dus hij deed meteen ook wat opmetingen aan de funderingen van het oude Minderbroedersklooster. Het muntje, met een moeilijk woord een tremissis of triens, was alleen veel ouder dan het klooster. Het komt zeker uit de zevende eeuw na Christus, de vroege middeleeuwen. Ook wel de Merovingische periode genoemd.
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)



Het muntje was verdwenen
Wat er na de vondst met dit oude kleinood gebeurde, was lange tijd een raadsel. Dat wrong natuurlijk aan alle kanten. Daar moest wat aan gedaan worden!
Ik ben gaan zoeken en vond een verwijzing in een editie van het tijdschrift Oud Alkmaar uit april 2007. De auteur vermeldt dat het muntje via de grondwerkers in de persoonlijke verzameling van Hellingwerff belandde. Een voetnoot bracht me bij de bron.
En wat blijkt? Onze voorganger in de Alkmaarse stadsarcheologie, Erik Cordfunke, was eerder al in deze materie gedoken. Hij schreef er een kort artikel over in zijn boekje Kennemerland in prehistorie en middeleeuwen, eveneens uit 2007.
Van Hellingwerf naar Bruinvis
Na de dood van Hellingwerff kwam het muntje in handen van stadsarchivaris C.W. Bruinvis. Die verkocht het aan het Koninklijk Penningkabinet, dat van 1816 tot 2004 bestond. Via het Geld- en Bankmuseum kwam het na 2013 terecht in de Nationale Numismatische Collectie (NNC). Op goed geluk heb ik contact opgenomen met conservator Paul Beliën en… bingo! Het muntje is hier na al die tijd gelukkig nog steeds onderdeel van de collectie.
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)



Een muntje uit de zevende eeuw
Het muntje was zelfs al in 1866 beschreven door Van der Ghijs, onze eerste Nederlandse muntexpert. Hij nam het op in zijn standaardwerk van negen delen. Het lijkt erop dat er toen al een hoekje ontbrak (zie nr. 30 op de overzichtstekening). Maar de tand des tijds heeft ook daarna niet stilgestaan. Er is nóg een stukje afgebroken. Gelukkig is dat wel bewaard gebleven…
Onze munt heeft een diameter van 14 tot 15 millimeter en weegt ruim één gram. Volgens de database van de NNC komt het muntje uit het derde kwart van de zevende eeuw: tussen 650 en 675.
Het gaat om een iets jongere kopie van een tremissis of triens naar het originele werk van muntmeester Madelinus. Madelinus werkte rond het tweede kwart van de zevende eeuw. Eerst in Maastricht en daarna in Dorestad, de vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting bij het huidige Wijk bij Duurstede. Overigens is het woord vervalsing hier misschien niet helemaal op zijn plaats. Dergelijke munten werden vermoedelijk niet met criminele bedoelingen nagemaakt.
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)


Wat staat er op de munt?
Op de ene zijde zien we een wat grove profielschets van een niet nader genoemde heerser. Het randschrift luidt:
‘DRETST(..)IT’
Madelinus zelf schreef op zijn munten ‘DORESTATI FIT’, wat betekent: gemaakt in Dorestad.
Op de andere zijde staat een kruis op een voet, boven op een wereldbol. Dit staat symbool voor de wereldomvattende betekenis van het voorbeeld van Christus. Het randschrift bestaat uit de letters:
‘HA(..)ELHUSH’
Op de munten van Madelinus stond op deze plek zijn eigen naam, gevolgd door de letter M. Die M is een afkorting van Monetarius, het Latijnse woord voor muntmeester.
Ook het materiaal verraadt dat we hier met een kopie te maken hebben. Een tremissis zou helemaal van goud moeten zijn, maar deze munt lijkt op zijn minst een zeer hoog zilvergehalte te hebben.
Van der Ghijs heeft in het overzicht, tussen de afbeeldingen van beide zijden, de hoofdletters BG toegevoegd. Gezien de andere aanduidingen in zijn tabel vermoed ik dat dit staat voor ‘bijna-goud’. In dezelfde tabel komen namelijk ook munten voor met de toevoegingen G (goud) en Z (zilver).
Wat vertelt deze vondst over Alkmaar?
Over de omgeving van Alkmaar en de rol van de mens in deze periode weten we eigenlijk bar weinig. Toch zijn er, naast dit muntje, op een steenworp afstand ook enkele vroegmiddeleeuwse potscherven gevonden. Dat bewijst dat de omgeving in ieder geval bewoond was in die tijd.
Toch blijft het zicht op deze periode erg nevelig. En totdat er meer wordt gevonden, moeten we ervan uitgaan dat mensen hier toen woonden in verspreide boerderijen. Misschien in kleine groepjes.
Vondst op vrijdag wordt samengesteld door Guus van den Berg, archeoloog team Erfgoed, gemeente Alkmaar.
Bekijk hier alle ‘Vondsten op vrijdag’
Gouden munt uit de periode van de Franse koning Filips VI
Verzameling zilveren munten
Een 1000 jaar oude munt
