Noodbestuurspost onder het stadhuis van Alkmaar
Erfgoed uit de Koude Oorlog
Onder het stadhuis van Alkmaar ligt een kleine noodbestuurspost uit 1970, gebouwd als atoombunker voor de burgemeester en zijn staf om de stad tijdens een crisis te blijven besturen. De bunker was volledig ingericht, met onder meer een commandoruimte, slaapruimte, luchtfilters en een noodstroomvoorziening. Via een tien meter lange vluchtgang konden de gebruikers het stadhuis verlaten als de toegang tot de noodbestuurspost was geblokkeerd door puin.
Deze noodbestuurspost is gebouwd in 1970 in de kelder van de nieuwe vleugel achter het 17e eeuwse stadhuis van Alkmaar. Het is een atoombunker die bedoeld was als commandopost voor de burgemeester en zijn staf. Het is een bijzonder kleine noodbestuurspost van 50m², bestemd voor maar zes tot acht personen. Vanuit de noodbestuurspost konden zij bij een crisissituatie, de regie blijven voeren over de stad, bijvoorbeeld bij een vijandige aanval op de stad, een ontspoorde goederentrein met gevaarlijke stoffen of bij de Golfoorlog van de jaren ‘90. Vanuit hier had de burgemeester contact met onder andere de burgerorganisatie Bescherming Bevolking, politie, brandweer, ziekenhuis, de provinciale noodbestuurspost van de Commissaris van de Koningin (PCCV) en de noodbestuursposten van omliggende gemeenten.
De noodbestuurspost moest in een noodsituatie snel bereikbaar zijn. De entree bevindt zich daarom onderaan het trappenhuis. Een stalen, gasdichte deur geeft toegang tot de sluis met daarna een technische ruimte, een recreatieruimte, een commandoruimte en een slaapruimte. Het onderkomen was ingericht en volledig gereed, met onder andere bedden, tafels en stoelen, maar ook een luchtbehandelingsinstallatie met koolstoffilterbussen en luchtkanalen, noodvoedsel, drinkwater en olie voor de noodstroomgenerator. Achterin bij de slaapruimte bevindt zich de nooduitgang: een gasdicht luik waarachter een tunnel van tien meter lang ligt. De tunnel leidt via een klimtrap omhoog, waarna de noodroute eindigt in een vierkante, bakstenen bouwwerkje in de tuin van het stadhuis. Ambtenaren van het stadhuis passeren dit bouwwerkje wanneer ze door de tuin naar de inpandige fietsenkelder gaan. De kruiptunnel is zo lang gemaakt opdat deze ver van het hoofdgebouw uitkomt. Daardoor werd de kans namelijk kleiner dat ook de nooduitgang zou worden geblokkeerd door puin van een ingestort stadhuis.
(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)





Boven de noodbestuurspost bevond zich tot 1990 het huis van de bode van het stadhuis, Jan Vedder met zijn gezin met zeven kinderen. De bode had alle sleutels van het stadhuis en opende en sloot dagelijks alle deuren. Het oudste kind thuis, Zita Swart-Vedder, is weleens met haar vader in de noodbestuurspost geweest. ‘’Ik vond dat altijd heel interessant en ook best spannend […] Ik vond het heel erg klein en benauwd. Ik dacht ‘jeee’. Het leek een beetje op hutjes aan boord van een schip. Alleen was het bedompter, kleiner, compacter en voelde je je opgesloten. […] Dat zei mijn vader wel: ‘Het is niet voor ons. Het is voor meneer de burgemeester’.’’
Tijdens de Golfoorlog van 1990/1991 is de noodbestuurspost voor het laatst operationeel gemaakt, omdat men bang was voor giftige gassen die mogelijk richting West-Europa zouden komen. De noodbestuurspost is nog bijna geheel intact, inclusief interieuronderdelen en voorzieningen. De gemeentesecretaris Henk Blokhuis noemde het echter een “atoomvrije grafkelder”. Zou hij in een oorlogssituatie naar zijn gezin gaan of ook plaatsnemen in de noodbestuurspost?
Stadhuis
Moriaanshoofd
