Terug naar het overzicht

Pleintje bij Kapelkerk heet nu Willem Rederplaats

“Mijn vader stond als eenzame strijder op de barricade”

Als je door de binnenstad van Alkmaar loopt, voel je de historie. Een historie die we koesteren. Al is dat niet altijd zo vanzelfsprekend geweest. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw waren er plannen om grachten te dempen en historische panden te slopen om ruimte te maken voor het verkeer. Dat was tegen het zere been van Willem Reder, die juist door burgemeester Wytema was gevraagd zich in te zetten voor de historische binnenstad. Mede dankzij zijn inzet bleef er gelukkig veel behouden. Willem Reder legde de basis voor de gemeentelijke monumentenzorg in Alkmaar. En ter ere van de veertigste Open Monumentendag is nu een plek in diezelfde binnenstad naar hem genoemd. Het pleintje tussen de Kapelkerk en het Verdronkenoord heet sinds dinsdag 8 september Willem Rederplaats.

Wie was de man die zich zo onverzettelijk inzette voor de historische stad? We spreken met zijn dochter Netty Reder, die vol liefde en bewondering over haar vader vertelt: “Mijn vader was een bescheiden man. Hij klopte niet graag op zijn borst en trad niet graag op de voorgrond. Maar als het nodig was, greep hij in.”

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

De zorg voor monumenten was nog nauwelijks georganiseerd

Toen Willem Reder in 1953 naar Alkmaar kwam, was dat voor de restauratie van de Kapelkerk. Daar bovenop kwam het verzoek van burgemeester Wytema om zich ook in te zetten voor de hele historische binnenstad. Naar het voorbeeld van onder andere Amersfoort, zou er ook iemand in Alkmaar moeten komen die zich bezighield met het behoud en de restauratie van monumenten. De zorg voor monumenten was hier in die tijd nog nauwelijks georganiseerd. Reder zou die taak eerst uitvoeren vanuit de Stichting tot Instandhouding en Restauratie van Monumenten. En vanaf 1960 voor de gemeente Alkmaar, als Opzichter Openbare Werken.

“Mijn vader was in de veronderstelling dat hij een zelfstandige functie kreeg bij de gemeente,” vertelt dochter Netty. “Hij wilde zich echt officieel verantwoordelijk voelen voor de historische stad. Hij zei ook altijd dat monumentenzorg een specialistenvak is, met evenveel bestaansrecht als de andere specialismen, zoals bijvoorbeeld stedenbouw. Al heeft hij daar nog hard voor moeten vechten. Hij stond als eenzame strijder op de barricade.”

“Mijn vader nam zijn verantwoordelijkheid serieus. En misschien wel té serieus, volgens sommige mensen binnen het gemeentebestuur. Want toen hij hoorde van de plannen van rijksplanoloog Wieger Bruin voor de binnenstad, kon hij niet anders dan in actie komen. Grachten zouden worden gedempt en historische panden gesloopt om ruimte te maken voor het verkeer.”

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

‘Dat gaat niet gebeuren’

“Mijn vader dacht meteen: dat gaat niet gebeuren. Hij maakte een alternatief plan voor de binnenstad. Hij bracht de historische panden in kaart, beschreef ze en legde vast waarom hij tegen de voorgenomen sloop was. Vervolgens kopieerde hij zijn plan en stuurde het naar iedereen die volgens hem iets kon betekenen: Van de rijksdienst voor Monumentenzorg en Stichting Hendrik de Keijzer tot en met Heemschut, de Historische Vereniging Alkmaar en nog een heleboel andere erfgoedpartijen. Waarna de gemeente natuurlijk een lawine van protesten over zich heen kreeg.
En in een artikel in de Alkmaarsche Courant sprak mijn vader zich openlijk uit tegen deze plannen van het gemeentebestuur.

Ja, en toen werd hij op het matje geroepen, met dreiging van ontslag. Burgemeester Wytema was niet blij met de houding van mijn vader. Maar uiteindelijk gaf hij hem gelijk. ‘Ik ben hier toch aangesteld om de historische binnenstad te restaureren?’ zei mijn vader tegen hem, “en niet om haar te slopen!”

Uiteindelijk werd afscheid genomen van de rijksplanoloog en gingen de plannen voor de grootschalige sloop niet door. In 1988 kreeg de historische binnenstad van Alkmaar de status van beschermd stadsgezicht.

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

‘Een oude stadskern is als het klokhuis van een appel’

“Mijn vader zei altijd: ‘Een oude stadskern is als het klokhuis van een appel. Als dat klokhuis ziek is, wordt de hele appel aangetast.’ Hij vond dat je heel goed moest nadenken voordat je iets in zo’n historische stad verandert. ‘Men kan zoveel bederven, wat in eeuwen niet meer goed is te maken’, zei hij dan.

Daarom kon hij zich ook zo druk maken over nieuwbouw in de historische binnenstad. De sloop van de oude Kerkstraat naast de Grote Kerk was in zijn ogen een grote fout. En ook de nieuwbouw in het oostelijk deel van de binnenstad, bij het Hofplein, kon zijn goedkeuring niet krijgen. Daar kwam toen die grote bouwkolos van Tauber. Op zich had mijn vader grote bewondering voor Taubers werk. Maar niet in zijn binnenstad en leunend tegen de Hof van Sonoy. ‘Olifanten in een porseleinkast’ noemde hij dat.”

Onderduikers in het Muiderslot

Willem Reder werd op 13 juli 1906 geboren en kon als klein kind al prachtig tekenen. Zijn belangstelling voor bouwkunst bracht hem uiteindelijk bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

“Mijn opa was rijksambtenaar en werkte als beheerder op het Muiderslot. Toen hij in 1932 stopte, nam mijn vader zijn taak over. Toen was hij nog maar 25,” vertelt Netty verder. “Vijftien jaar lang woonde en werkte hij op het slot. Hij bracht het meubilair, de schilderijen en alles wat voor restauratie in aanmerking kwam nauwkeurig in kaart. Ook de bouwgeschiedenis van het Muiderslot legde mijn vader vast met zijn prachtige tekenwerk.” Tijdens de Tweede Wereldoorlog verborg Willem Reder negen onderduikers in het Muiderslot. De bezetter, die het kasteel graag over wilde nemen, wist hij buiten de deur te houden. In deze periode stichtte hij zijn gezin en volgde hij de opleiding tot bouwkundige.
In 1947 werd Reder gevraagd voor de restauratie van de Onze Lieve Vrouwenkerk in Tholen. Het gezin verhuisde naar Zeeland. En in 1953, tijdens de Watersnoodramp, nam Reder zelf het initiatief om het stroomgat Strijenham in de dijk te dichten, samen met de inwoners. Vier lange dagen en nachten werkte hij achter elkaar door tot het gat was gedicht.

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

Van Tholen naar Alkmaar

“Die restauratie van de kerk in Tholen was nog een heel project,” vertelt Netty. “Het was zijn eerste echte kerkrestauratie en de kerk verkeerde in slechte staat. Mijn vader heeft er zeven jaar aan gewerkt. Tot en met de Watersnoodramp in 1953. Toen was hij bijna klaar. Maar na de ramp wilde mijn moeder graag terug naar Alkmaar, waar ze vroeger woonde. Inmiddels waren er zes kinderen en mijn vader wilde graag goed voor zijn gezin zorgen. Hij vroeg de Rijksdienst voor de Monumentenzorg om overplaatsing en kreeg een paar opties. Eén daarvan was de restauratie van de Sint-Pancratiuskerk in Castricum in combinatie met het restaureren van de Kapelkerk in Alkmaar. Die keuze was niet moeilijk.

Van 1953 tot 1957 was mijn vader bezig met de Kapelkerk en daarnaast ging hij zich dus steeds meer bemoeien met de hele historische binnenstad.
En alles wat mijn vader deed, beschreef hij met de hand. ‘Wie schrijft, die blijft’, zei hij altijd. Nou, dat hebben we geweten…”

Een vader met een warm jasje

“Mijn vader had hart voor zijn werk, maar het gezin kwam op de eerste plaats. Mijn ouders werkten allebei. Mijn moeder viel in op openbare scholen in Alkmaar. En als zij werkte, deed mijn vader de dingen die thuis nodig waren. Terwijl mijn moeder tachtig taal- en rekenschriftjes nakeek, zorgde mijn vader dat we ons wasten en tanden poetsten. En deed hij spelletjes met ons. Vaak mocht ik dan zijn warme jasje aan dat rook naar de pijptabak die hij altijd kocht op de hoek van de Mient en het Fnidsen. Dat gaf me altijd zo’n veilig gevoel!

Mijn vader had zijn werkplek bij Openbare Werken aan de Timmerwerf. Dan ging ik wel eens met mijn zusje op de brug over de Oudegracht staan en dan gingen we heel hard naar hem roepen. Hij moest altijd erg lachen als hij ons dan zag.

Mijn vader was een heel gevoelige, warme en bijzondere man. Heel bescheiden. Hij had heel veel gaven en ook heel veel mensenkennis. En ondanks alle tegenstand op zijn werk heeft dat bij hem nooit geleid tot frustratie. Hij had de gave om boven die dagelijkse strijd uit te stijgen. En ook daarover schreef hij dan weer: ‘Een juist streven naar, en kennen van de gebieden van kunst en schoonheid, versterkt de kennis van het ware wezen der mensheid.”

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

Monumentenzorg als zelfstandig vak

Reder heeft hard moeten werken voor de erkenning van zijn vak. Netty: “In het begin werd hij eigenlijk een beetje weggestopt bij Stedenbouw. Een afdeling waar het bijna alleen maar over nieuwbouw ging. Pas aan het einde van de jaren vijftig kwam er meer begrip voor het belang van monumentenzorg als specialisme.”

In 1960 werd de positie van Willem Reder uiteindelijk officieel vormgegeven. Hij kwam officieel in gemeentedienst als opzichter openbare werken. Al snel richtte hij de afdeling Monumentenzorg en Archeologie op. Daarmee zette hij een stevig stempel op de zorg voor erfgoed binnen de gemeente Alkmaar en plaveide zo het pad voor zijn opvolgers. Reder hield zich trouwens ook volop bezig met archeologie. Hij was bestuurslid van Oud Alkmaar, actief binnen de Archeologische Werkgroep Westelijk Nederland en correspondent voor de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. Hij kreeg daar zelfs de benoeming van amateurarcheoloog voor het leven.

‘Zo’n eerbetoon aan mijn vader’

Op 1 augustus 1971 ging Willem Reder met pensioen. Na achttien jaar in Alkmaar een intensieve strijd voor het behoud van de binnenstad gevoerd te hebben, kon hij zijn werk met een tevreden gevoel neerleggen. “Volgens mijn vader was het een gouden tijd in zijn leven,” vertelt Netty.

Bij Reders afscheid werd zijn inzet voor de stad uitgebreid gememoreerd. Een collega vatte het mooi samen: ‘Wie door de binnenstad dwaalt en wordt getroffen door de schoonheid en harmonie van de historische huizen, zal met waardering denken aan wat Reder als ‘eenzame ambtenaar van Openbare Werken’ heeft bereikt.’

Nu, 31 jaar na zijn overlijden, heeft Willem Reder een blijvende plek gekregen in de stad waarvoor hij zich zo heeft ingezet. Het pleintje bij de Kapelkerk draagt voortaan zijn naam en dochter Netty is er trots op: “Ik vind dit zo’n eerbetoon aan mijn vader! Ik ben de gemeente en met name de mensen van Erfgoed zo dankbaar! En heel blij dat er sinds zijn pensioen dus gewoon mensen werken die werkelijk begrijpen hoe belangrijk het is om die cultuur te bewaren en niet voor eeuwig te vernietigen. Want als je het sloopt, komt het nooit meer terug!”

Op de hoogte blijven?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief. Met drie keer per jaar met het digitale Erfgoed Magazine Alkmaar. Een week voor het Open Monumentendagweekend het volledige programma. En enkele keren per jaar de meest actuele erfgoednieuwtjes.