Terug naar het overzicht

Lezing: Fabels en feiten, de oorsprong van de familie Schermerhorn

Door Tony Keevel

Wall Street, Staten Island, Brooklyn, Beverwyck, Harlem, Hempstead, Flushing. Zomaar een willekeurige opsomming van Amerikaanse plaatsen. Willekeurig? Niet helemaal: de Nederlandse oorsprong van deze plaatsnamen is de verbindende factor.

Inleiding

Wall Street is de verbastering van Walstraat. Staten Island werd in de zeventiende eeuw ‘Staten Eiland’ genoemd, naar haar eigenaar, de Staten van Holland. Brooklyn, Harlem, Hempstead en Flushing zijn verengelsingen van Breukelen, Haarlem, Heemstede en Vlissingen. Hoe langer we naar een kaart van New York en omgeving kijken, hoe meer Dutch Origins we ontdekken. Zelfs de kleinste Nederlandse dorpjes zijn aan de andere kant van de Atlantische Oceaan vertegenwoordigd – al was het maar in straatnamen, metrostations, havens of baaien.

Heeft u wel eens van Schermerhorn gehoord? Vragen we het aan bewoners van de Schermer- of Beemsterpolders, zal bijna altijd bevestigend worden geknikt. Maar vragen we het in Alkmaar (waar Schermerhorn sinds 2015 gemeentelijk gezien toe behoort) of in Purmerend dan zullen er vraagtekens achterblijven. Hoe verder weg we het vragen, hoe kleiner de kans dat men weet waar Schermerhorn ligt. Behalve in New York. Daar zal het antwoord luiden “just follow the Crosstown Line ‘till Hoyt-Schermerhorn Station”, of  “do you mean the rental cottages at Schermerhorn Harbor Marina?” of zelfs “I do! I live there, 189 Schermerhorn Street”. Maar of deze New Yorkers bekend zijn met het door polders omzoomde Noord-Hollandse ‘eilanddorp’, is niet heel waarschijnlijk.

Hoe komt de naam Schermerhorn dan in Amerika terecht? Een terechte vraag, want het is nogal wat: een vernoeming van dit kleine Noord-Hollandse dorp in die grote Amerikaanse wereldstad. In de zoektocht naar het antwoord op deze vraag komen we in verschillende tijdperken een aantal Schermerhorns tegen die in totaal verschillende werelden leefden. Van een eenvoudige Schermerhorner visser en een avontuurlijke kolonist tot een statige stamboomonderzoekende architect en een vermogende New Yorkse filantroop. De zoektocht brengt ons de ene keer 400 jaar terug in de tijd om de geschiedenis van het dorp te onderzoeken, de andere keer voert het ons langs hoogdravende pogingen om de familiegeschiedenissen met feiten en fabels cachet te geven. En let hierbij goed op de toch al in het landschap niet te missen Grote Kerk: die loopt als een rode draad door het verhaal heen.

Volgens strenge wetenschappers en historici dient de Geschiedenis van een bepaalde gebeurtenis verteld te worden aan de hand van harde, vaststaande feiten en historische bewijzen. In mijn beleving zit dat net even anders: Geschiedenis bestaat bij de gratie van het vertellen van een verhaal. En verhalen laten zich niet vangen in oude regels tekst: die lees je als het ware ‘tussen de regels door’. Dat is precies wat we hier gaan doen: we gaan tussen de regels door op zoek naar het verhaal over hoe een Noord-Hollands dorp naam maakte in Amerika. Er is echter één voorwaarde: we zullen bij tijd en wijlen onze fantasie moeten gebruiken om ons aan een enkele strohalm historisch bewijs te kunnen vastklampen.

DEEL 1: De historische achtergrond van de Amerikaanse familienaam Schermerhorn

Van “Zeer levendig en vrolijk” tot “een dorp met  forensisch karakter”. Een “Fraai, welbebouwd, en door den grooten doortogt zeer levendig en vrolijk dorp”. Zo werd Schermerhorn in het midden van de negentiende eeuw getypeerd in het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1847). Wie tegenwoordig als buitenstaander het dorp Schermerhorn overziet, zal niet in eerste instantie denken aan een bruisende omgeving die meedeint in de vaart der volkeren. Wat dat betreft is de beschrijving van de Oudheidkundige Vereniging Het Schermereiland een realistische: “De laatste decennia is ook in Schermerhorn sprake van een forensisch karakter”. Werk of voorzieningen zijn er niet of nauwelijks in het dorp: op de eenpitters en thuiswerkers na, moeten de bewoners altijd ‘de hort op’ om in andere dorpen of steden te werken en hun boodschappen te doen.

En wie op het eerste gezicht de bebouwing van de oudere delen van het lintdorp aanschouwt, zal vooral twintigste-eeuwse huizen zien. Zeker, er zijn nog prachtige pareltjes uit de zeventiende en achttiende eeuw bewaard gebleven: de authentieke Grote Kerk uit 1636, het naastgelegen witte Rechthuisje uit 1766 en even verderop ‘Het Blauwe Huis’ uit 1701.

Hoe anders moet dat in het verleden geweest zijn? De oude gebouwen zijn stuk voor stuk stille getuigen van de kortstondige welvaart die dit dorp in vervlogen tijden kenmerkte. De Grote Kerk is daar letterlijk en figuurlijk een grandioos voorbeeld van. Een enkele blik op de glas in lood ramen en de hoge toren prikkelt de fantasie: het moet met recht een wonderlijke en bovendien kostbare onderneming zijn geweest om dit formaat kerk te bouwen. Zeker wanneer we bedenken dat Schermerhorn in de zeventiende eeuw ongeveer net zoveel inwoners telde als tegenwoordig – ongeveer 1500 – en de bouw gedeeltelijk gefinancierd werd door de individuele leden van die kerk en enkele grote geldschieters. Hoe komt zo’n klein dorp aan zo een grote kerk? Voor het antwoord daarop moeten we ons verdiepen in de geografische ligging van het dorp.

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

Water: De drijvende kracht

God created the World, but the Dutch created The Netherlands. Deze wereldberoemde zin siert menig toeristenfolder. Hoe clichématig het ook mag klinken, voor wie de tijd neemt het gebied ten noorden van het IJ eens rustig te bekijken, zal het roerend eens zijn met dit ‘toeristenpraatje’. Een autoreis van Amsterdam naar Schermerhorn duurt ongeveer 40 minuten. We rijden langs kanalen, over dijken en door oude dorpskernen. Zover het oog reikt zien we uitgestrekte landerijen met her en der verspreide boerderijen. Zonder er dagelijks bij stil te staan kijken we naar een landschap dat zo’n vier tot vijf eeuwen geleden is ontstaan als product van het maakbaarheidsideaal van onze zestiende- en zeventiende-eeuwse voorvaderen. Het overgrote deel van het ‘droge’ land dat we tegenwoordig zien, was rond 1600 niet aanwezig. Toen sprak men niet van de Buikslotermeerpolder, de Purmerpolder, de Beemsterpolder, de Schermerpolder of de Zeevangspolder  maar gewoon nog van het Buikslotermeer, het Purmeer, het Beemstermeer, het Schermermeer of de Zuiderzee.

Het is niet verwonderlijk dat water als een rode draad door de geschiedenis van dit gebied loopt. In 1554 maakte Jacob van Deventer een kaart van Holland zoals dat er volgens hem in 1520 uit zou hebben gezien. Het eerste wat opvalt is dat Noord-Holland eigenlijk een eilandenrijkje was. Op plekken die ten opzichte van het water strategisch lagen, ontstonden florerende dorpen en steden. Van Deventer heeft niet alle dorpen en steden ingetekend, maar heeft zich beperkt tot de meest prominente plaatsen. Net zoals wij dat tegenwoordig ook nog doen, alleen zouden wij andere keuzes maken of ons beperken tot Hoorn, Alkmaar, Amsterdam, Haarlem en misschien Schagen. Maar wat maakte plaatsen als Beverwijk, Edam, Monnickendam, Marken, Egmond, Winkel, Medemblik of Grootebroek in de zestiende eeuw dan zo noemenswaardig? Hun welvaart, in de eerste plaats. Maar hoe kwamen die steden aan hun welvaart? Met uitzondering van Egmond, die vermeld wordt vanwege haar cruciale politieke en religieuze rol in het Graafschap Holland, liggen al deze plaatsen aan het water. Het zijn havensteden aan de Zuiderzee en Noordzee of liggen aan belangrijke doorvaarten die de binnenwateren met elkaar verbonden.

De kaart van de situatie van Holland rond 1520 was een ‘fantasiekaart’. Van Deventer heeft naar eer en geweten geprobeerd de toenmalige niet gecartografeerde situatie weer te geven. Op een duidelijk acuratere kaart van zijn hand die de werkelijke situatie uit 1574 weergeeft, verschijnt ook de plaats die hier centraal staat ten tonele: Schermerhorn. Of zoals Van Deventer het schreef: ‘Scermerhorn’. Ook voor Schermerhorn geldt dat haar vermelding te danken was aan de strategische ligging ten opzichte van land en water. Tegenwoordig is Schermerhorn aan alle kanten omzoomd door de groene grasmatten van de Beemster-, de Schermer-, de Mijzen- en de Eilandspolder. In de zeventiende eeuw was Schermerhorn echter alleen aan de noord- en zuidkant over land te bereiken: respectievelijk vanuit de Mijzenpolder en het Schermer Eiland – de huidige Eilandspolder. Beide gebieden zijn op de kaart van Van Deventer ingetekend als eilanden, wat erop duidt dat beide polders boven het toenmalige zeeniveau lagen. Door de inklinking van de veengronden liggen deze gebieden tegenwoordig tot anderhalve meter onder zeeniveau, en is constante bemaling van het gebied noodzakelijk. Dat moet in de zeventiende-eeuw ook al het geval geweest zijn.

Hoe is dit gebied dan toch droog gebleven? Met pijn en moeite, is het goede antwoord. De Mijzenpolder is rond het jaar 1000 ontstaan, toen men begon met het ontginnen van het hoogveen om het gebied voor land- en tuinbouw geschikt te maken. Door de ontginning klonk de bodem in, waardoor de wateroverlast al snel om extra maatregelen vroeg. Toen in de dertiende-eeuw besloten werd om naast de inmiddels drooggevallen laagveengronden van het ‘Schermer Eiland’ ook de Mijzenpolder te omdijken, kon tot grootschaliger tuinbouw en veeteelt worden overgegaan. Toch bleef het water de Mijzenpolder teisteren. In de zeventiende eeuw werd besloten om bemalingsmolens te bouwen om de polder droog te houden. Ook het Schermer Eiland had ondanks de ligging boven zeeniveau bemaling nodig.

Landbouw en veeteelt waren niet de enige inkomstenbron van dit gebied. Omringd door het brakke water van het Beemster- en Schermermeer speelde de visserij een hoofdrol. Incidenteel worden er in de Schermer nog stenen visnetverzwaringen opgeploegd die de stille getuigen van het eens zo heldere Schermermeer in stand houden. Want helder was het water, althans dat doet de naam zelf wel vermoeden. Het woord ‘Scher’ is een verbastering van het Saksische woord voor helder: ‘Skir’. In de spreektaal schemeren de oude Saksische klanken nog door: De sg-klank in het woord ‘Schermer’ wordt ook wel als een sk-klank uitgesproken. Het Schermermeer was een belangrijke, maar zeker niet de enige voorwaarde voor het ontstaan van het vissersdorp Schermerhorn. Zoals eerder gezegd werd het ‘oude’ land van de Mijzenpolder en het Schermereiland geflankeerd door het Schermermeer in het westen, en het Beemstermeer in het oosten. En juist de aanwezigheid van deze twee meren, die op hun beurt in verbinding stonden met de Zuiderzee, was cruciaal voor de welvaart van Schermerhorn. Want precies op het smalste punt werd het land doorkruist door het Zwet, een brede vaargeul die beide meren met elkaar verbond. Langs deze vaargeul ontstond in de veertiende eeuw – en waarschijnlijk eerder – het dorp Schermerhorn. Strategischer kon een dorp niet liggen: niet alleen beschikte zij over de toegang tot beide viswateren, het dorp had ook de controle over in ieder geval een deel van de vaarbewegingen tussen de binnenwateren en de Zuiderzee. Schermerhorn werd een belangrijke tussenstop voor schepen en een florerende overslagplaats van goederen, met alle voordelen van dien. En hoewel de economie van Schermerhorn na de inpoldering van de Beemster en Schermer in elkaar zakte, bleef het tot de komst van stoomtrammen en -treinen een “door den grooten doortogt zeer levendig en vrolijk dorp”.

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

De Grote Kerk: Pijler van de geschiedenis

Als meest markante bouwwerk van Schermerhorn loopt de Grote Kerk als een rode draad door de geschiedenis van het dorp: het is het symbool van economische hoogte- en dieptepunten. Rond 1600 had Schermerhorn weliswaar enige naamsbekendheid gevestigd vanwege de gunstige ligging aan het Zwet, maar het dorp was verre van rijk. De oude dorpskapel was in verval geraakt en was eigenlijk al tijdenlang aan de krappe kant. Toen het naburige dorp Schermer (het huidige Grootschermer) met de gedachte speelde om een gloednieuwe parochiekerk te bouwen, brak de competitiestrijd los – althans, dat kan ik me zo voorstellen. De twee dorpen hadden immers jarenlang één kerk gedeeld. Hun gezamenlijke kerk stond eens midden tussen beide dorpskernen in (op de plek waar nu molen De Havik staat) maar was in 1604 verworden tot een ruïne. Met de verse plannen van een nieuwe parochiekerk in het achterhoofd, aasden de Grootschermers op de bouwmaterialen van die ruïne. Er ontstond een conflict over de verdeling van deze materialen met Schermerhorn – de kerk was immers gezamenlijk bezit. Uiteindelijk werd de zaak voor de rechtbank beslecht, waarbij Schermerhorn aan het kortste eind leek te trekken. De boedel en inkomsten van de kerk werden gelijk verdeeld, maar van de bouwmaterialen ging 2/3 naar Grootschermer.

Tot zover de historische feiten. Want waar twee naburige dorpen hun eigen belangen verdedigen, ontstaan de meest fantastische mythes. Het conflict over de oude ruïne mag dan feitelijk met een gerechtelijke uitspraak beslecht zijn, in de mondelinge overlevering neemt het verhaal een andere wending. Volgens de overlevering zouden de Schermerhorners zich niet bij deze uitkomst hebben neergelegd. Nog voordat de Grootschermers konden beginnen met hun demontagewerkzaamheden toog een groep Schermerhorners gewapend met scheppen en pikhouwelen in het geniep naar de kerk. In het donker begonnen zij de kerk aan ‘hun’ kant te ondergraven. Met succes: de kerk zakte uiteindelijk in het gat weg en kieperde om. De bouwmaterialen die op Schermerhorns gebied vielen, werden geclaimd en meegenomen. Deze stenen zouden de basis gevormd hebben voor de bouw van de Grote Kerk. Sindsdien kregen de Schermerhorners de bijnaam ‘Mollen’ – vanwege dat gegraaf in het pikkedonker – en zo zou ook meteen het dorpswapen verklaard worden. Historisch gezien klopt hier natuurlijk helemaal niets van: men heeft zich in werkelijkheid simpelweg aan de gerechtelijke uitspraak gehouden. Uit de middelen van de overgenomen inboedel werd de oude kapel zo goed en zo kwaad als dat ging opgeknapt, en de zaak was gesetteld. Het enige wat van dit verhaal overeind blijft, is de ruïne zelf die tot ver in de achttiende-eeuw boven het maaiveld uitstak. Maar goed: zulke verhalen prikkelen de fantasie, bestendigen de dorpsidentiteit en zijn simpelweg te mooi om niet te vertellen.

Now or never? Een gloednieuwe kerk

We maken een korte sprong in de tijd. In 1634, dertig jaar na het conflict over de oude ruïne-kerk, werden in Schermerhorn voorbereidingen getroffen voor de bouw van een fenomenale kerk. In twee jaar tijd verrees op de plaats van de oude kapel het bouwwerk dat voor de komende eeuwen beeldbepalend zou zijn voor het dorp. Een gigantische prestatie die vandaag de dag niet alleen vereeuwigd wordt door de kerk zelf, maar ook door de nog altijd te bewonderen schildering van de bouwwerkzaamheden. 14.000 gulden heeft het geheel naar schatting gekost. Ter vergelijking: het officiële jaarinkomen van de zelfstandige gemeente Schermerhorn was in totaal slechts 180 gulden – enkel en alleen gebaseerd op inkomsten uit bierbelastingen. Natuurlijk waren er rijke geldschieters die in ruil voor de eer en naamsvermelding hun bijdragen deden, en natuurlijk werd een deel van dit bedrag bekostigd door collectes onder de parochieleden. Maar dat was bij lange na niet genoeg. In dit speciale geval werd het Schermerhorn van hogerhand toegestaan om niet alleen de bierbelasting te verhogen maar ook belasting te heffen op overgeslagen goederen, levende have en door het Zwet varende schepen. Er werden kleine belastingtarieven ingevoerd voor goederen: 3 stuivers per zak graan, 2 duiten per mand turf, een tachtigste deel van de veewaarde, 24 stuivers per ingevoerde ton bier tegen 6 stuivers per ton voor bewoners. De grootste klap kwam echter van de doorvaart in het Zwet: 6 guldens per bemanningslid van koopvaardijschepen, 3 guldens per stuurman van Haringkotters en 3 guldens per bemanningslid van binnenvaartschepen.

Al met al tikten de belastingbedragen in combinatie met de collecteopbrengsten en giften lekker aan. Zo op het eerste oog leek het Schermerhorn in de jaren 1630 voor de wind te gaan: de kerktoren groeide letterlijk de hemel in. Maar de bestuurders, opdrachtgevers, bouwers en financiers van de kerk wisten dat de tijden zouden veranderen. Sterker nog, ze waren getuigen van de grootste verandering die dit gebied sinds de dertiende eeuw zou ondergaan: de inpoldering van de omliggende meren. Met de inpoldering van de Beemster in 1612 hadden de Schermerhorners al één van hun ‘visvijvers’ verloren. Rond 1630 hadden zich daar inmiddels rijke Amsterdamse kooplieden gevestigd, waren er grote buitenplaatsen aangelegd en werd er geboerd op de bodem van het voormalige meer. In 1633 – een jaar voordat de bouwwerkzaamheden van de kerk startten – werd begonnen met het droogmalen van hun laatst overgebleven inkomstenbron: het Schermermeer. Nog voordat de kerk goed en wel werd opgeleverd, was de drooglegging een feit. Het voormalig vissersdorp, eens hoog en droog boven de wateroppervlakten uittoornend, was getuigen van het einde van een tijdperk – en het einde van haar eigen economische voorspoed.

Wat de Schermerhorners dreef om in de wetenschap van deze drastische verandering de enorme investeringen voor de kerk te doen, zullen we nooit weten. We kunnen natuurlijk wel speculeren. Was het geboren uit de moed der wanhoop? In de geest van ‘nu kan het nog’ of ‘now or never’? Zagen zij de potentie die het droogvallen van de Schermer en Beemster had voor het groeien van het aantal kerkgangers? Zeg nou zelf: er waren nog geen kerken op het sompige land van de Schermer, en de families die daar kwamen wonen moesten toch ergens ter kerke? Voorspelden zij een toenemende rol van Schermerhorn als op- en overslagplaats van de land- en tuinbouwproducten die op het nieuwe land verbouwd werden? Of konden ze eenvoudigweg de gevolgen van de inpoldering niet overzien? Hoe het ook zij: als vissersdorp had Schermerhorn afgedaan: op de kaart van de Schermer uit 1636 werd alleen nog de “Visscherye in ’t Swedt” vermeld.

De dorpelingen zouden zich voortaan toeleggen op kleinschalige (binnen)visserij en tuinbouw, wat zij tot in de twintigste eeuw hebben volgehouden. Zolang water het hoofdtransportmiddel was, bleef Schermerhorn op zeer bescheiden schaal een op- en overslagplaats van goederen. Pas toen de Tweede Noord-Hollandse Tramwegmaatschappij in 1895 het stoomtramtraject Purmerend-Alkmaar opleverde, kwam ook hier een einde aan. Tot het einde van de zeventiende eeuw konden de Schermerhorners zich aardig in hun nieuw ontstane omgeving handhaven. Totdat het noodlot toesloeg: de Grote Brand van 1699. De kerk bleef gespaard, maar het grootste deel van het Westeinde – tevens het rijkste deel van het dorp – brandde af. Ook de archieven van de kerk, die in het Parochiehuis waren opgeslagen, gingen verloren. Veel dorpelingen zochten nadien hun heil elders: in de Beemster, de Schermer of Noordelijker Noord-Holland in. Ook de potentiële uitbreiding van de parochie is nooit van de grond gekomen: de kerk in de Middenbeemster werd in 1626 opgeleverd, de kerk in de Westbeemster in 1663, en de kerk in Stompetoren in 1637. Zonder te overdrijven kunnen we stellen dat de kerk letterlijk en figuurlijk als ‘pijler’ fungeert: het gebouw markeert niet alleen hoogte- en dieptepunten in individuele levensgeschiedenissen, maar staat ook symbool voor de hoogte- en dieptepunten in de Schermerhornse geschiedenis.

DEEL 2: Een herinnering aan Schermerhorn in Nieuw-Amsterdam

Een verre vriend: William Colford Schermerhorn

Na ruim 250 jaar trouwe dienst moest de Grote Kerk voor het eerst in haar bestaansgeschiedenis de deuren sluiten. Niet als gevolg van ontkerkelijking of ontzuiling – dat zou nog tientallen decennia duren – maar als gevolg van achterstallig onderhoud. “Als men heden ten dagen ‘naar boven ziet’”, zo berichtte een Nederlandstalige Amerikaanse krant in 1894, “ontwaart men ongelukkig spoedig, dat de tand des tijds op bedroevende wijze aan dit juweel van bouw- en decoratieve kunst geknaagd heeft. Ja het is zoover gekomen, dat men zich in het gebouw niet meer veilig acht”. Tot dan toe was er geen geld beschikbaar geweest om dit immense bouwwerk fatsoenlijk te onderhouden. Sterker nog: in de loop der tijd zijn er verschillende onderdelen van de kerk – bijvoorbeeld het uurwerk – aan opkopers verkocht. Vanuit historisch, architectonisch en artistiek opzicht was het chronische geldgebrek van het kerkbestuur een geluk bij een ongeluk: daardoor is het interieur in zeldzame originele staat gebleven. De plafondschilderingen, het – weliswaar aangetaste – glas-in-lood, de preekstoel, het gevangenislokaal, de beschilderde houtpanelen en de oorlogsscheepjes: alles was jarenlang gekoesterd en bevond zich nog op de oorspronkelijke plek.

De cultuurhistorische waarde van het gebouw moest hebben bijgedragen aan de welwillendheid van het Rijk om subsidie te verlenen voor de restauratie. Het Rijk stelde echter één voorwaarde: het kerkbestuur moest eerst zelf enkele duizenden guldens aan fondsen ophalen voordat de subsidie zou worden uitgekeerd. Voor het arme kerkbestuur en de lokale bevolking was dat bijna niet op te brengen. Het kerkbestuur kreeg bij deze schier onmogelijke klus hulp uit wel heel onverwachte hoek: “Een bijzonder geluk is, dat een rijke Amerikaan, de heer Schermerhorn te New York, de helft der som als geschenk heeft beloofd, mits de wederhelft in Nederland bijeengebracht werd”.

Wie was deze Amerikaanse geldschieter? En waarom was hij bereid om een aanzienlijke bedrag te doneren voor de restauratie van een Nederlandse kerk? Waarom voelde William Colford Schermerhorn zich zo betrokken bij de noodlottige kerk die duizenden kilometers van zijn woonplaats stond? Vooropgesteld: William Colford wijdde zijn leven aan kunst, literatuur en wetenschap en bewoog zich in de hoogste kringen van de Amerikaanse High Society. Naast zijn lidmaatschap van onder andere The American Museum of Natural History en The Metropolitan Museum of Arts, was hij ook voorzitter van de Raad van Bestuur van de prestigieuze Columbia University. We kunnen er veilig vanuit gaan dat hij een vermogend man was: in 1895 schonk hij 300.000 dollar voor de realisatie van een nieuw universiteitsgebouw. Maar waar het aankwam op de donatie voor de kerk in het dorp waaraan hij zijn eigen achternaam ontleende, kwam ook een zekere mate van familietrots om de hoek kijken.

European Heritage als statussymbool

Wanneer we het notulenboek van de Kerkvoogdij erop naslaan, komen we erachter dat de interesse van William Colford voor zijn European Heritage doorslaggevend is geweest voor zijn bijdrage aan de restauratie van de kerk. Op een goede dag in 1894 ontving hij een brief uit Nederland, van Mevrouw Wertheim-Bicker. Zij reisde enkele jaren eerder naar Amerika voor een familiebezoek en kwam zo in contact met William Colford. Tijdens die ontmoeting moet Willam Colford hebben laten doorschemeren dat zijn voorouders rond 1650 naar Amerika waren gekomen en dat hij een levendige belangstelling had voor Schermerhorn “als bakermat van zijn geslacht”. Dit had Mevrouw Wertheim-Bicker na haar terugkomst in Nederland onthouden, en toen zij op de hoogte gesteld werd van de deplorabele staat waarin de kerk verkeerde, trok zij de stoute schoenen aan. Volgens het Notulenboek deed zij met haar brief “naar aanleiding van zijn Hollandse afkomst een beroep (…) op de hulpvaardigheid van de heer Schermerhorn tot het in stand houden van ons kerkgebouw, welk belangeloos verricht schrijven het succes had dat de bovengenoemde vorstelijke bijdrage werd verkregen”. Haar brief had dus succes: William Colford droeg maar liefst 2500 gulden bij aan het behoud van de kerk en hij opende een rekening van 20.000 dollar waarvan heet rentebedrag jaarlijks aan de kerk werd overgemaakt. Met recht een vorstelijk bedrag, zeker wanneer we het afzetten tegen de Rijkssubsidie van 3000 gulden, de bijdrage van 4000 gulden van de Synode der Nederlands Hervormde Kerk, en de schamele 500 gulden van de Provincie.

William Colford mag dan met recht als filantroop worden getypeerd, toch kwam de investering ook voort uit een stukje wel te begrijpen eigenbelang. In de negentiende eeuw ontstond er een bijzondere belangstelling voor de Europese wortels van met name succesvolle (of zichzelf succesvol vindende) Amerikaanse families. Een gedegen aangetoonde Europese stamboom gaf status: het was iets om mee te pronken en trots op te zijn. Deze ontwikkeling viel samen met het ontstaan van de Verenigde Staten als Natiestaat na de Amerikaanse Burgeroorlog. Amerikaans Nationalisme was in opkomst, en door deze nationale identiteitvorming werd het genealogisch onderzoek naar familie-identiteiten steeds populairder. Bovendien werd Amerika vanaf het midden van de negentiende eeuw overspoeld door immigranten: Ieren, Italianen en Duitsers voorop. Talloze zoektochten naar de Europese oorsprong van zogenaamde Early settler families werden aan het eind van de negentiende eeuw ondernomen om zich tegen deze ‘nieuwkomers’ af te zetten – het stamboomonderzoek naar de familie Schermerhorn incluis. Talloze familiegeschiedenissen werden rooskleuriger voorgesteld dan ze werkelijk waren – zo ook bij de familie Schermerhorn. Talloze familiewapens werden op miraculeuze wijze ‘uit de archieven gedestilleerd’, om niet te zeggen: verzonnen – zo ook die van de familie Schermerhorn. Uiteraard werden al deze kleinschalige en verder onschuldige ‘geschiedvervalsingentjes’ met de grootst mogelijke formeelheid aan de lezer gepresenteerd – zo ook die van de familie Schermerhorn. “It is hoped that all Schermerhorns who read this book, will find in it more than a passing interest, and that it will appeal to them in more ways than that of a formal family record”, schreef Richard Schermerhorn Jr. In zijn voorwoord bij de stamboom van zijn familie uit 1914.

Is deze zelfophemelende ‘geschiedvervalsing-in-familie-kring’ specifiek voor Amerikaanse stamboomonderzoekers? Zeker niet: naast de negentiende-eeuwse stamboomonderzoekers maakten ook geschiedschrijvers in dienst van de opkomende natiestaten zich daar op grote schaal schuldig aan. Neem bijvoorbeeld de Bataafse mythe die in ons land in de negentiende eeuw gecultiveerd werd. Is dat erg? Welnee: het geeft een prachtige inkijk in de negentiende-eeuwse denkwijze over de status die aan een bepaalde afkomst werd ontleend. Bovendien geeft het inzicht in het wezenlijke doel van stamboomonderzoek: niet de werkelijke geschiedenis staat op de eerste plaats, maar de zoektocht naar spannende avonturen die mijn of onze voorouders hebben beleefd. Een goed voorbeeld hiervan is het televisieprogramma Verborgen Verleden. Soms moet er eeuwen in tijd worden teruggegaan, om via een geheel vergeten tak van een aangetrouwd voorouderlijk familielid bij een prachtig, ontroerend of heldhaftig verhaal te komen. Na zo een ontknoping hoopt toch elke kijker een dergelijk verhaal in zijn of haar familiegeschiedenis aan te treffen? Stamboomonderzoek is een sensationele zoektocht naar die ene grote daad die de familie bestaansrecht geeft. Is dat dan verkeerd of afkeurenswaardig? In zijn geheel niet: het zorgt er juist voor dat we verhalen ontdekken die de moeite van het vertellen waard zijn. Misschien raken we hierdoor wel aan de meest universele neiging van de mens om zich te kunnen verhouden tot zijn geschiedenis en zijn identiteit bevestigd te zien in daden van de voorouders.

(Klik op de foto voor het onderschrift. Tekst gaat verder onder de foto’s)

Schermerhorn: De ‘Mythologische’ bakermat

Het was de Stamboomonderzoeker van de Amerikaanse familie Schermerhorn er dus alles aan gelegen om zich, omwille van status en aanzien, te kunnen beroepen op een eerbiedwaardige afkomst. Om dat te kunnen doen hebben geschiedkundigen in het algemeen, en stamboomonderzoekers in het bijzonder, vier ‘trucs’ tot hun beschikking: 1. Het ophemelen van de plaats waar men woont of vandaan komt; 2. Het afzetten tegen individuen of groepen die een andere oorsprong hebben; 3. Het benadrukken van heldendaden van voorouders; 4. Het benadrukken van erfelijke deugden en goede karaktereigenschappen.

Zoals de Nederlanders af zouden stammen van de heldhaftige Batavieren, zo stamden alle Schermerhorns in Amerika af van één gezamenlijke stamvader: de kolonist Jacob Janse, afkomstig uit Schermerhorn. “Schermerhorn is the most important town in the Northern part of the Province of Holland”, stelde Richard Schermerhorn Jr. in zijn familiegeschiedenis. Inmiddels weten wij beter: op een periode van kortstondige economische welvaart in de jaren 1630 na, was Schermerhorn voor de provincie Noord-Holland nauwelijks belangrijk. Maar laat ons in het hoofd van stamboomonderzoeker en zijn tijdgenoten blijven: een familie die inmiddels goede naam gemaakt heeft en aanzienlijke rijkdom heeft vergaard, moet toch op zijn minst voortkomen uit een welvarende streek. Dat er vanuit Amerika financieel werd bijgedragen aan het behoud van de kerk in Schermerhorn, sterkte dat vermoeden alleen maar. Richard Jr. vermeldde in zijn stamboomonderzoek namelijk dat de kolossale Nederlands Hervormde Kerk “through the very material assistance of W.C. Schermerhorn of New York City” van de ondergang was gered en dat op de openingsdag niemand minder dan “His Excellency the Commissary of the Queen in North Holland” aanwezig was. Dichter bij een aanzienlijke afkomst kon men toen niet komen. Bovendien had de familie Schermerhorn een Familiewapen dat volgens de overlevering terugging tot de 15e eeuw. De mol staat inderdaad ook in het dorpswapen, maar het familiewapen van de Schermerhorns is vermoedelijk ergens in de late achttiende of vroege negentiende eeuw aan de fantasie ontsproten. Geef ze eens ongelijk: het is een prachtig wapen en een adellijke afkomst geeft aanzien. Ook tegenwoordig worden er nog jaarlijks aanvragen gedaan om een familienaam in het befaamde Nederland’s Adelsboek te laten bijschrijven.

De Grote Kerk in Schermerhorn was misschien wel het grootste statussymbool voor de familie Schermerhorn: dáár kwamen de voorouders vandaan. Dáár stond de doopzeel van de familie, stevig gefundeerd in de hoogtijdagen van Holland: de Gouden Eeuw. Wat de kerk extra speciaal maakte, was de veronderstelling dat de grafzerk van de oerstamvader daar nog aanwezig was – althans, daar was men in Amerika van overtuigd. Tijdens een bezoek aan de kerk schijnt de kunstenares Miss Sophie Ely Schermerhorn deze grafsteen met haar eigen ogen te hebben gezien. In een enthousiaste brief naar huis schreef zij het volgende:
“The floor of the church is made up of tombstones. In looking around at some of the amusing representations on these stones, I was happily surprised to find this inscription: “Jacob Ryer Schermerhorn, died Jan. 25, 1645, and his wife 1665.” This was our grandfather’s name, who died in New York. I rejoiced to think our ancestors were so much respected as to be buried in this fine old church, where the Protestant religion had been preached for so many years”.

Sophie was lyrisch over de grandeur van dit monument van het Protestantisme, de religie die – toevallig of niet – juist door de vroege Europese Settlers in Amerika werd geïntroduceerd en sindsdien is uitgegroeid tot de Moederkerk van de Verenigde Staten. Vooral de gebrandschilderde ramen van de kerk maakte bijzonder veel indruk op haar: “The paintings on these windows were certainly the finest work in color shading I have seen anywhere in Scotland or England, and I have been in several Cathedrals, Castles and Palaces, where all had glass paintings. (I have visited Windsor Castle, and the King’s and Queen’s Palace here in Holland)”.

Of deze Jacob Ryer de stamvader van de Amerikaanse Schermerhorns is, en of hij überhaupt wel in de kerk begraven heeft gelegen is nog maar de vraag. Misschien was de wens de vader van de gedachte voor Sophie, William Colford, Richard Jr. en andere stamboomonderzoekers die in hun voetsporen traden. Het bestaan van de grafzerk is louter gebaseerd op deze ene vermelding in Sophies brief uit 1884. Uit het recente Stamboomonderzoek naar de familie Schermerhorn van Joop Ludeke (1998) leren we dat het niet te achterhalen valt of de grafsteen ooit echt bestaan heeft. De indeling van de kerkvloer is in de loop der jaren veranderd en slecht gedocumenteerd. De grafsteen wordt bovendien niet vermeld in het standaardwerk over grafstenen in Noord-Hollandse kerken, en de ene grafsteen met dezelfde voornaam (Jacob Rijer) behoorde toe aan de dorpsonderwijzer die in 1653 overleed. Grondig archiefonderzoek kan ons op dit punt helaas ook geen uitsluitsel geven: door de verwoestende brand van 1699 zijn de archieven uit deze periode verloren gegaan. Maar doen we er goed aan om op basis van de afwezigheid van historisch bewijs Sophies waarneming naar het rijk der fabelen te verbannen – on whose authority?

Deze onzekerheid heeft niet één onderzoeker van de Schermerhorner familiegeschiedenis ervan weerhouden om deze vermeende Jacob Rijer Schermerhorn tot ‘stamvader’ van zowel de Amerikaanse als de Nederlandse tak te bombarderen. De heer C.W. Koster, die in 1946 de afstamming van de familie Schermerhorn heeft onderzocht, verwoordde dat als volgt: “Hoewel de gegevens van drie eeuwen geleden maar zeer onvolledig zijn, meen ik toch met enige dichterlijke vrijheid de gemeenschappelijke stamvader van de Hollanders en de Amerikanen gevonden te hebben”. Eén ding is zeker: Jacob Janse Schermerhorn was de eerste telg uit deze familie die voet op Amerikaanse bodem zette – als één van de Early Settlers. Zijn nakomelingen zijn bekend en de Amerikaanse stamboom die daaruit is ontstaan is grondig uitgeplozen. Maar waar Jacob Janse zelf vandaan kwam, is onzeker. Ook hij had een geschiedenis, ook hij had voorouders, en ook hij zal zijn identiteit aan hun ontleend hebben. Hoewel de band tussen de Amerikaanse Schermerhorns en het Noord-Hollandse dorp enkel en alleen in naam bestaat, zullen we met de dichterlijke vrijheid van koster toch eens kijken naar de oorsprong van deze familie.

Jacob Janse: Een avontuurlijke Early Settler

Het moest op gure najaarsavond rondom het jaar 1600  zijn geweest. Een fluitend geluid kwam van de zeilschepen die in het Zwet voor anker lagen. De kille oostenwind joeg de rook van talloze haardvuurtjes door de steegjes van het dorp. In de luwte van de Westelijke poort van de Kapel in het midden van het dorp vond visser Jacob Rijer, amper 18 jaar oud, een met stro en doeken gevuld rieten mandje. Uit het versleten mandje was een zacht gebrabbel te horen, afgewisseld met gepijnigde huilkreetjes. Er was geen twijfel over mogelijk, en u voelt het al aan: het betrof hier een vondeling. Een jongetje, wel te verstaan, die vanaf dat moment Jan genoemd werd, naar de vader van visser Jacobus.

De mythe wil dat in deze even tot de verbeelding sprekende als onwaarschijnlijke gebeurtenis de stamboom van de Amerikaanse tak van de familie Schermerhorn geworteld is. Toegegeven: de Charles Dickens-achtige sfeer van het verhaal is uit de duim gezogen, maar er kan een kern van waarheid inzitten. Het is immers een oud gebruik dat vondelingen waarvan noch de vader noch de moeder bekend was, de ‘achternaam’ kregen van de plaats waar zij te vondeling werden gelegd. Toch lijkt het in ons geval meer voor de hand te liggen dat een aangenomen zoon of dochter eenvoudigweg als ‘Jacobszoon’ of ‘Jacobsdochter’ bekend kwamen te staan, zoals dat tot aan de officiële invoering van achternamen door Napoleon gebruikelijk was.

Wat sterkt ons in dit verhaal? Niets anders dan dat er over Jan’s jonge jaren nagenoeg niets bekend is. We gaan er vanuit dat hij rond 1600 geboren is op een onbekende plaats. Over zijn broer, Gijsbert, is nog minder bekend: daarvan is zelfs het geboortejaar niet te traceren. Hoe het ook zij, laten we deze mythe even in ons achterhoofd houden en omwille van het verhaal van zijn waarheid overtuigd zijn: de overeenkomst met de Bijbelse Mozes moet onze negentiende-eeuwse voorgangers als muziek in de oren hebben geklonken.

Visser Jacob Rijer kon goed van zijn visvangst leven. Hij leerde zijn beide zoons de kneepjes van het vak, zodat zij later op hun beurt voor hun eigen gezin konden zorgen. Hij liet zijn beide zoons in de oude kapel dopen en stuurde ze elke zondag naar de kerkdienst. Maandag tot en met zaterdag hielpen zij hun vader met het boeten van netten, het vlechten van fuiken en het maken van visnetverzwaringen. De wereld van deze twee opgroeiende jongens veranderde net zo snel als zij groeien konden: eerst werd de Beemster drooggemalen, en al snel gingen er geruchten door het dorp over de vermeende drooglegging van de Schermer. Misschien had Jan een vooruitziende blik, misschien liep het gewoon zo, maar na zijn huwelijk besloot hij zijn boetnaald en fuik te verruilen voor hamer en beitel. Een goede timmerman had iedereen op een zekere dag nodig, zo moest hij gedacht hebben. De visvijvers waar hij zijn brood aan dankte, werden gedempt. En waar drooggemalen wordt, zijn molens nodig. En later boerderijen, schuren, kruiwagens en andere werktuigen. Hij ging eerst in de leer bij de dorpstimmerman en liet zich inhuren voor onderhoudswerkzaamheden aan de oude kapel en de Beemstermolens.

Wat weten we nu precies van Jan Jacobs? Betrekkelijk weinig: we weten dat hij in 1622 een zoon kreeg, Jacob Janse, die later naar Amerika zou vertrekken. Via hem komen we te weten dat Jan in 1654 in Amsterdam woonde. Sterker nog: hij was Stadsburger van Amsterdam. Hoe komt de in Schermerhorn te vondeling gelegde Jan uiteindelijk als stadsburger in Amsterdam terecht? Het meest aannemelijke scenario is dat Jan trouwde met de dochter van een Amsterdamse burger. Zoals eerder aangegeven, werd het levendige karakter van Schermerhorn toegeschreven aan de grote doortocht van schepen die via het Zwet van het Beemstermeer naar het Schermeer voeren. Het is niet ondenkelijk dat Jan op een goede dag kennis maakte met de dochter van een rijke Amsterdamse koopman of met een stuurmansdochter op een haringkotter, bij haar een kind verwekte en met haar meetrok naar de ‘grote stad’ om zijn verantwoordelijkheden te nemen en bij haar vader in dienst te komen.

Waarom Jan werkelijk uit Schermerhorn vertrok – en sterker: of hij überhaupt in Schermerhorn is opgegroeid – zullen we nooit weten. Maar waarom gingen we er dan vanuit dat hij timmerman geworden is? Omdat zijn zoon, Jacob Janse, op 13 jarige leeftijd waarschijnlijk als timmermansleerling naar Nieuw Amsterdam vertrok. Uit de papieren van Kiliaen van Rensselaer, Bewindsvoerder van de WIC en Patroon van de Nederlandse nederzetting Rensselaerswyck in Nieuw-Nederland, blijkt dat Jacob Janse op 8 oktober 1636 had aangemonsterd op het schip De Rensselaerswyck om voor 4 jaar als timmerman voor hem te werken. En van wie anders dan van zijn vader zou een jongeman de fijne kneepjes van het timmervak hebben kunnen leren? Tussen 1637 en 1643 werd bijgehouden voor wie Jacob Janse werkte en wat hij deed. Voor een jaarsalaris van 40 gulden bouwde hij huizen, schuren en hielp hij – geloof het of niet – bij de bouw van de molen bij Rensselaerswyck.

Dat deze Jacob Janse in 1637 voet aan wal zette op Amerikaanse bodem en daarmee het startpunt van de Amerikaanse tak van de Familie Schermerhorn is, wordt algemeen geaccepteerd. Maar de verbinding met Schermerhorn hangt nog altijd met gedachtespinsels aan elkaar. Toen Jacob Janse in 1636 in Amsterdam aanmonsterde op de Rensselaerswijk, schreef hij zich in als Jacob Janse van Amsterdam. En als zodanig kwam hij in Nieuw Amsterdam aan. Hebben we het hier wel over dezelfde Jacob Janse? Hoogstwaarschijnlijk wel. De toevoeging Van Amsterdam was voor Jacob Janse een volstrekt logische keuze: zijn vader was Poorter (burger) in de stad waardoor aannemelijk is dat Jacob Janse daar zelf ook woonachtig was. Bovendien was het in een tijd dat een patroniem als achternaam werd gebruikt volstrekt normaal om de plaats van herkomst als ‘herkenningspunt’ aan de naam toe te voegen. Of een beroep, of een excentrieke uiterlijke kenmerk – zoals bij de Romeinse dichter Cicero het geval was: Cicero betekent ‘Kikkererwtenneus’. Wanneer we de passagierslijst doornemen, blijkt dat veel van zijn metgezellen hetzelfde deden. Zo reisde hij onder andere samen met Pieter Claesz. Van Nordingen (Friesland), Crijn Cornelisz. Van Houten, Pieter Cornelisz. Van Munnickendam, Dirck Jansz. Van Edam, Jacob Pietersz. Van Utrecht, Thomas Jansz. Van Bunnick en Albert Andriesz. ‘de Noorman’ uit Frederikstad.

Jacob Janse Schermerhorn: de ideale voorvader?

In 1643 werd Jacob Janse 21 jaar oud. Een belangrijke mijlpaal: hij kreeg als meerderjarige zelfbeschikkingsrecht. In de 6 jaar dat hij voor Van Rensselaer en zijn onderaannemers als timmerman moest werken – hij was immers minderjarig en had vigilantes nodig – was hij waarschijnlijk in staat om een aardig centje te sparen. Nu hij handelingsbekwaam geworden was, lonkten de mogelijkheden van de Nieuwe Wereld als nooit te voren: hij begon voor zichzelf. Hij startte een bonthandel op. Bij de inschrijving van zijn onderneming diende de mogelijkheid zich aan om een officiële naam aan te nemen. Hij koos – en hoe kon het ook anders – voor de naam van het dorp waar hij waarschijnlijk zelf nooit geweest is: Schermerhorn. Of het uit heimwee naar Holland of als eerbetoon naar de geboortestreek van zijn vader was dat hij deze naam koos of dat hij daar werkelijk geboren en getogen was, doet niet terzake: hij koos deze naam welbewust. Of wij het tegenwoordig kunnen aantonen of niet, voor Jacob Janse was er een levendige band tussen hem en het dorp – of in het minste geval tussen hem en de naam van het dorp.

Eén ding kunnen we echter wel met zekerheid stellen: Jacob Janse heeft de ‘nieuwe’ Grote Kerk in Schermerhorn nooit in levende lijve gezien. Hij was waarschijnlijk al op volle zee toen de kerk voltooid werd. Hier slaan de generaties na Jacob Janse de plank lichtelijk mis met hun ‘obsessie’ met de Grote Kerk als ‘bakermat’ van hun familie. En hoe zit dat met Jacob Janse zelf? Kan hij postuum fungeren als het ultieme rolmodel van “clear and honored standards” waar latere generaties een voorbeeld aan konden nemen, zoals Richard Schermerhorn Jr. zo graag wilde? Laten we vooropstellen dat Jacob Janse daar zelf niet zozeer over nadacht: hij leefde zijn leven, net als u en ik. Zijn vrouw en schoonfamilie kwamen in 1643 met het schip ‘Het wapen van Rensselaerswyck’ naar Nieuw Amsterdam en hij had inmiddels succes met zijn bontonderneming. Vooral beverbont vond gretig aftrek in die dagen en hij vergaarde er een aardig fortuin mee. Samen met een aantal van zijn ‘makkers’ waarmee hij zich in 1636 inscheepte, liet hij zich in met tal van handelspraktijken. Eén van zijn meest lucratieve handeltjes kwam hem echter duur te staan. Zijn zakenpartner Jacob Ryntgens kocht in het geheim vuurwapens van de West Indische Compagnie en verscheepte die naar Jacob Janse, die ze op zijn beurt doorverkocht aan de Indianen. Deze praktijk schurkte tegen de illegaliteit aan: niemand minder dan de Directeur-Generaal van Nieuw Nederland Petrus Stuyvesant had het monopolie op deze handel. Jacob Janse en zijn compaan werden gearresteerd en berecht. Het vonnis luidde: verbanning en confiscatie van alle bezit en goed.

Tot zover niet bepaald een ‘lichtend voorbeeld voor latere generaties’. Ware het niet dat het vonnis enkele weken later op voordragen van invloedrijke kolonisten gedeeltelijk werd teruggedraaid. De verbanning was van de baan, maar zijn bezittingen werden wel geconfisceerd. Richard Schermerhorn Jr. brengt dit voorval in relatie tot de opstand van handelaren en kolonisten die een jaar later uitbrak tegen Stuyvesant’s corrupte bewind. Bovendien ging het Jacob Janse ondanks het verlies van zijn bezittingen allerminst slecht: zijn reputatie snelde hem vooruit en hij had zich meteen weer op diverse handeltjes gestort.

En dat was precies het soort lichtend voorbeeld waar Richard Schermerhorn Jr naar op zoek was voor zijn stamboom. Sterker nog: hij stelde Jacob Janse niet alleen als voorbeeld voor zijn eigen familiegeschiedenis, maar voor de geschiedenis van rechtschapen Europese kolonisten in zijn geheel. Volgens hem kwamen er drie verschillende ‘soorten’ settlers naar Amerika. Van vluchtelingen voor religieuze onderdrukking of overwonnen gebiedsdelen en “the overflow from European prisons” die op de Amerikaanse kust gedumpt werden, had hij geen goed woord over. Zij bezaten niet over de juiste motivatie om bij te dragen aan ‘De Nieuwe Wereld’. “But the incentive of the Dutch for emigration was of a different character from that of the most of the other nationalities”, zo stelde hij recht voor zijn raap. “They care for their own free will”, zo vervolgde hij,

“with a spirit of enterprise and adventure predominant, and they brought with them the sturdy qualifications of their race – qualoifications which had safely borne them through the particularly severe struggles and trials of earlier years. They were a broad minded people, in every sense of the word and enterprising to the extreme. They were industrious, honest, frugal and particularly respectable. The majority were of small means at the time of their arrival (…) They were, throughout, of a superior class of people in matters of enterprise, intellect, principles and birth, and this explains the fact that their influence, predominant in the beginning, lasted so long”.

Voor Richard Schermerhorn Jr. Was het klip en klaar: zijn voorvader, de stamvader van zijn familie, had een significante bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het Amerika van zijn tijd. De daden en eigenschappen van Jacob Janse, de afstamming van “the most important town” van Noord-Holland met zijn prachtige Hervormde kerk die daar in zijn tijd nog als getuige van de geschiedenis boven alle daken uit prijkte, verleende de familie status en aanzien. Of deze familietrots grondig gefundeerd is of niet maakt niet uit. Het enige wat ter zake doet is dat Jacob Janse, een timmermansleerling van 13 jaar, ervoor gezorgd heeft dat ruim drie en een halve eeuw later het verhaal over de verbinding tussen families en landen verteld kan worden. Soms is het beter om familiemythes niet ‘dood te slaan’ met een eindeloze zoektocht naar historische feiten en bewijzen. Soms is het beter om individuele familiegeschiedenissen, mythes en verhalen over onze voorouders te blijven vertellen. Soms is het geweldig om gewoon te kunnen zeggen: Jacob Janse heeft naam gemaakt in Amerika. En die naam luidt Schermerhorn. Die naam is gekomen, om te blijven, en daar kan men trots op zijn.

Tony Keevel, 12 april 2019